Het kerstfeest wordt al vele eeuwen gevierd, steeds in een andere vorm, maar de hoofdgedachte is steeds hetzelfde. De geboorte van Het Kind, dat ons leerde om aandacht en zorg te geven aan mensen die dat nodig hebben. Zo ook in dit verhaal, dat zich zo’n twee eeuwen geleden afspeelt, in een tijd dat akelige ziekten rondwaardden en de mens daar bijna machteloos tegenover stond. Ook toen kon er een beroep gedaan worden op de barmhartigheid die in eenieder leeft.
Verteld door Kees van Kemenade
Het was nog op de middag voorafgaand aan kerstavond. Bimmm .. bom …bimmm .. bom … bimmm .. bom … Ineens begonnen de zware klokken in de toren te luiden. Heel het dorp schrikte op: “Dat is toch veel te vroeg voor de nachtmis. Waarom luiden ze nu al. Er zal toch niet iets gaande zijn?” Bij Anton van de Donk werd hard op de deur gebonkt. “Doe open Anton! Je moet komen.” Hij opende de deur van zijn boerderijtje. Buurman Jaon stond opgewonden voor zijn huis. “Pak je riek, of een dorsvlegel, of zoiets. Er is een dolle hond gesignaleerd. Alle vrouwen en kinderen moeten naar binnen en daar blijven. Het mansvolk moet de straat op met een wapen, om te jagen op die dolle hond. Hij heeft al een meisje gebeten!” Anton wist het wel: als er een hond opdook met schuim om de bek, dan werden de torenklokken geluid en moest iedere man, gewapend en wel, de straat op. Het luiden zou pas stoppen als het dier dood was. “Waar zit ie?” Dat was de eerste vraag. “Dat weten we niet, vast ergens weg gekropen. Daarom gaan we zoeken.” Het eerst wapen dat hem voor de geest kwam was een grashark en daarmee schaarde Anton zich bij de groep mannen op straat. “Onder geen beding de deur open maken; veel te gevaarlijk.” Dat had hij nog tegen zijn vrouw geroepen. Ook de veldwachter was inmiddels aangekomen, met een jachtgeweer in de hand. Hij verdeelde de jagers in groepen van drie en stuurde ze in alle richtingen van het dorp. “Ik heb thuis nog Hubertusbroodjes tegen hondsdolheid. Zal ik die meenemen?” Dat vroeg Koos van tegenover in de straat. “Dan had jij ze eerder op moeten eten. Nu is het te laat,” bromde de veldwachter. “Kom mannen doe je best. Dood die dolle hond voor hij er meer bijt!“
Hondsdolheid
Mai bleef achter in de herd, met haar drie kinderen. Ze keken niet-begrijpend naar hun moeder. “Wat is dat, hondsdolheid? Een valse hond die je kan bijten?” Mai schudde het hoofd: “Veel gevaarlijker. Als een dolle hond je bijt dan duurt het flink veel dagen voordat je ziek wordt en je niet meer tegen licht kunt. Je gaat heel veel pijn lijden en vliegt mensen aan. Vroeger bonden ze de mensen vast met sterke touwen; sterke touwen anders werden die gebroken alsof het touwtjes waren. De lijder aan hondsdolheid kreeg dan zelfs geen water meer, ze lieten hem versmachten.” De kinderen rilden: “Kan de dokter hem dan niet beter maken?” “Nee,” legde Mai uit. “Soms helpt een pelgrimstocht naar Sint Hubert in België. Je hebt een flink aantal dagen voordat de ziekte zich openbaart en dat helpt soms. Kom laten we maar een gebed zeggen voor Sint Hubertus. Dat hij er maar voor mag zorgen dat de mannen de dolle hond zo vinden. Gevaarlijk werk, want hij vliegt degenen die voor hem komen meteen aan.” En zo werd het langzaam kerstavond, een avond die heel anders moest verlopen. Een kaarsje bij de stal, dat was alles wat nu nog kon.
Een gast
“Bang … bang …”Er werd hard op de deur gebonkt. “Bang … bang.” Mai en de kinderen schrikten op. “Er is iemand aan de deur, moeten we niet open doen?” Het bonken bleef maar doorgaan. Mai schuifelde naar de deur. “Wie is daar?” Dat riep ze hard, zodat degene die buiten stond het kon horen. “Leen, ik ben het. Leen … Ik heb het al op drie plaatsen geprobeerd, maar niemand laat mij binnen. Toe, open de deur. Ik ben zó bang!” Het flitste door Mai heen: “Leen, Zotte Leen, .. Die van de rand van het dorp, waar het bos begint. In een hutje van takken en lappen. Een beetje een zonderling. Geen wonder dat ze bang is voor de dolle hond die rondwaart.” “Asjeblieft, Mai. Doe de deur open, straks bijt dat beest mij en moet ik akelig sterven.” Ze aarzelde. Had Anton haar niet verboden om de deur te openen. Maar kun je een mens als er gevaar dreigt aan zijn lot over laten? Nee, toch. Mai trok de grendel los en zette de deur op een kier. Het geluid van de alsmaar beierende klokken klonk even veel luider. “Kom binnen Leen!” Meteen dat de ongenode gast binnen was, gooide zij de deur weer dicht. “Jij kunt nu niet buiten blijven in deze gevaarlijke tijd, Leen. We zouden eigenlijk naar de nachtmis gaan, maar dat gaat nu er een dollen hond is gezien zeker niet door. Dan morgen maar, op eerste kerstdag. Ga zitten bij het vuur in de herd. Hier is het warm en veilig. Ik heb kerstbrood gebakken. Lust je een snee bij de koffie?”
Buiten klonk een hard schot, gevolgd door nog twee knallen. Een minuut later hield het luiden van de zware torenklokken op. “Ik denk dat ze de dolle hond gevonden hebben en hem uit zijn lijden hebben verlost. Dan zullen de mannen zo wel komen. Leen stond op, maar Mai schudde het hoofd. “Je hoeft niet te gaan, Leen. Met kerstavond blijf jij hier, met Anton en mij en met de kinderen. Je gaat niet terug naar je hutje. Ik zorg wel voor een slaapgelegenheid. En morgen ga je van hier mee naar de kerk en danken we dat dit gevaar is geweken.”
