De wilg is een boom (of struik, afhankelijk van z’n humeur) die het leven niet ingewikkeld maakt.

Hij verliest zijn bladeren als krul of kronkelwilg elk jaar, zet ze verspreid neer alsof hij geen zin heeft in orde en draagt knoppen met precies één knopschub. Waarom één? Omdat meer ook maar gedoe is.

Bloemen? Jazeker. Die zitten in harige staafjes die 'katjes' heten. Geen echte katten, helaas. Deze katjes groeien niet netjes naar beneden, zoals bij zijn broertje de populier, maar doen hun eigen ding: zitten of staan, alsof ze zeggen 'Ik bepaal zelf wel hoe ik hang'.

De zaden zijn klein, pluizig en reizen met de wind. Ze zijn maar heel kort vruchtbaar, dus eigenlijk leven ze continu met tijdsdruk. Gelukkig kan de wilg zichzelf ook klonen door gewoon een tak in de grond te steken. Efficiënt type.

Wilgen houden van licht, water en snelheid. Ze groeien razendsnel en duiken in het wild overal op waar de grond een beetje nat is. Langs water voelen ze zich het meest thuis. Daar zijn ze echte pioniers: eerst zij, daarna pas de rest.

Hun wortels maken de grond losser en hun afgevallen blad zorgt voor humus. Met andere woorden: de wilg ruimt alvast op zodat andere bomen later comfortabel kunnen intrekken. Teamspeler, maar wel eentje die altijd als eerste binnenkomt. Sommige wilgen gaan zelfs wonen op kale, rotsachtige plekken waar andere planten alleen maar 'nee bedankt' tegen zeggen.

Door ziektes en de eeuwige strijd met de wind worden wilgen meestal niet heel oud. Veertig à vijftig jaar is vaak wel genoeg geweest. Maar goed, liever een kort leven vol groei dan langzaam versloffen.

Voor insecten is de wilg een all-inclusive resort. Vooral in het vroege voorjaar, als er verder weinig te beleven is, staat de wilg al open voor zaken. Stuifmeel? Check. Nectar? Check. Sommige bijen en zweefvliegen zijn zelfs zo fanatiek dat ze zonder wilg serieus in de problemen komen. Die plannen hun hele jeugd rond wilgenbloei. Dat is toewijding.

Met wat snoei kan een wilg uitgroeien tot een enorme boom met een stoere, gegroefde bast. De takken staan netjes omhoog, waardoor hij eruitziet alsof hij altijd goed zijn schouders recht houdt. Er bestaan ook wilgen met opvallend gekleurde takken, tenen: geel, oranje, rood... vooral mooi in de winter. En soms verandert een statige boom ineens in een knotwilg. Zelfde plant, totaal andere look. De wilg is flexibel, gewillig...

Wilgen zijn tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke exemplaren. Dat klinkt spannend, maar in de praktijk valt het mee. Overlast door pluizige zaden? Nauwelijks. De wilg houdt het netjes. De wilg is snel, sociaal, een beetje rommelig, enorm belangrijk voor insecten en niet bang om als eerste ergens te gaan staan. Geen diva, geen klager, gewoon dóórgroeien.

Een boom met karakter en dat laten ze zien!

Hans Winkelman, Brabantse Biesbosch