Zijn koffer stond nog in de hoek van de kleedkamer, een beetje scheef, alsof ook hij moe was van maandenlang lachen. Hij streek met zijn hand over het leer, waarin kleine krasjes zaten van cafés in Noord-Brabant, feestzalen in Limburg en dorpshuizen in Gelderland. Overal had hij gestaan, overal had hij gesproken, gezongen, gezucht en gesmuld van het applaus.
De tonprater keek naar zijn koffer op het smalle tafeltje. Die koffer was zijn trouwe metgezel, donker leer, een beetje versleten bij het handvat. Vanavond zou hij hem voor de laatste keer dichtklikken. Pas volgend seizoen zou hij hem weer openen, als de geur van schmink, stof en verwachtingsvolle spanning opnieuw uit de naden zou ontsnappen.
Hij zuchtte zacht. Wat had hij hiernaar uitgekeken: het einde van de tour. Weer slapen zonder adrenaline in zijn lijf. Weer koffie drinken in zijn eigen woonkamer, met het zachte ochtendlicht dat door de gordijnen viel.
Maar terwijl hij zijn bretels zorgvuldig oprolde en zijn geruite broek in de zijvakken vouwde, voelde hij hoe een ander gevoel zich voorzichtig in zijn lichaam nestelde. Weemoed. Een zachte pijn, die bijna zoet was. Maandenlang had hij door het zuiden getrokken. Van kleine dorpen waar de mensen hem bij naam begroetten, tot grotere zalen waar het licht hem even verblindde en het applaus als een warme golf over hem heen spoelde. Duizenden mensen had hij vermaakt. Duizenden keren had hij de lach gehoord, die eerst aarzelend begon en dan uitgroeide tot een bulderend koor.
Als hij zijn ogen sloot, zag hij het weer. Die man op de eerste rij die tranen van het lachen uit zijn ogen veegde. Het jonge stel dat elkaar aanstootte bij elke kwinkslag. De vrouw achterin die hem na afloop vertelde dat ze in tijden niet zo had gelachen. En telkens wanneer hij in de ton stapte, voelde hij zich groter dan zichzelf. Alsof hij niet alleen verhalen vertelde, maar ook harten aan elkaar knoopte met woorden. Dat was het wonder van zijn vak. Hij maakte grappen over het leven, maar ondertussen omarmde hij het.
Hij klikte de koffer open en keek nog één keer naar de inhoud. Zijn jas, die naar theaters rook. Zijn pet, die al honderden keren was afgenomen voor applaus. Zijn schriftje met aantekeningen, volgekrabbeld met invallen die ’s nachts in zijn bed waren ontstaan. ‘Wat was het een prachtig seizoen’, fluisterde hij tegen zichzelf.
Hij dacht aan die ene avond, toen het publiek maar bleef klappen. Hij had zijn buiging gemaakt, nog één grapje, nog één knipoog. Het voelde alsof de tijd even stilstond. Alsof hij in dat moment precies was waar hij hoorde te zijn. En toch verlangde hij naar huis.
